MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
MotoRide
Routes

Motorroutes door Europa

Ontdek 302+ motorroutes door Europa — gratis GPX-routes voor TomTom, Garmin en BMW Navigator.

MOTORIDE verzamelt honderden zorgvuldig uitgekozen motorroutes door heel Europa. Van de Alpenpassen in Oostenrijk en Zwitserland en de Dolomieten in Italië tot de Eifel, Luxemburg, de Picos de Europa, de Franse Pyreneeën en de Noorse fjorden. Filter op land, regio, afstand en routetype, bekijk foto's, reviews en hoogtepunten en download de GPX voor je TomTom Rider, Garmin Zumo of BMW Navigator. Elke route is gedeeld door motorrijders en direct bruikbaar in je navigatie. Nieuwe routes komen dagelijks bij — MOTORIDE is dé Europese bibliotheek voor motorroutes en GPX-routes.

🧭 Multi-day motorcycle tours (5)

Complete motorcycle journeys built from daily stages, each with its own GPX route. Ride a single stage as a standalone route or plan the entire trip.

Sort:

🔒 Want to see all 0 routes?

Create a free account to access all GPS routes, accommodations and more!

Kastelen van de Loire – 295 kilometer tussen torens, wijnranken en de rivier
+2 photos

Kastelen van de Loire – 295 kilometer tussen torens, wijnranken en de rivier

Niet eentje waarop je na elke bocht je voetsteunen over het asfalt probeert te schrapen. Vandaag rij je vooral door zo’n stuk Frankrijk waar er om de haverklap ineens een kasteel boven een rij bomen uitsteekt. En meestal geen kleintje ook. De eerste serieuze blikvanger komt al na zo’n twintig kilometer bij Brissac-Quincé. Daarna zoekt de GPX de Loire op en loopt hij via Gennes richting Saumur. Daar wordt het lastig om gewoon door te rijden. Het Château de Saumur staat hoog boven de rivier en lijkt vanaf beneden precies op zo’n kasteel dat je als kind zou tekenen: witte muren, puntdaken, torens. Alleen ontbreekt er nog een draak op het dak. Motor even neerzetten dus. Niet te lang, want we hebben vandaag nog een paar kastelen te gaan. Heel wat eigenlijk. Vanuit Saumur trekt de route zuidelijker langs Brézé. Het kasteel daar heeft iets bijzonders: onder het zichtbare gebouw ligt een enorm netwerk van ondergrondse ruimtes en gangen. Je zou er dus makkelijk een halve dag kunnen verdwijnen, maar dan wordt die route van 295 kilometer ineens een tweedaagse. Verderop komt Montsoreau, waar de Loire en de Vienne elkaar bijna raken. Het dorp ligt pal aan het water en het kasteel staat letterlijk aan de rivier. Geen verkeerde plek voor koffie. Of lunch. Of allebei. We hebben vakantie, toch? Daarna gaat het via Fontevraud-l'Abbaye naar Chinon. En vanaf daar begint de weg zelf ook wat meer mee te doen. Chinon ligt langs de Vienne met de enorme koninklijke vesting erboven. De route slingert door het wijngebied en de kleinere wegen passen eigenlijk perfect bij de omgeving: niet spectaculair, wel voortdurend lekker rijden. De officiële toeristische organisatie van Touraine noemt juist dit netwerk van secundaire wegen erg geschikt voor motorrijders. Na Chinon komt een van mijn favorieten van deze rit. Château d'Ussé. Je komt over een weg aanrijden en daar staat het ineens tussen de bomen. Torentjes, witte gevels, bos erachter. Dit zou het kasteel zijn dat Charles Perrault mede inspireerde voor Doornroosje. En als dat verhaal niet helemaal klopt? Maakt voor het uitzicht niks uit. Het ding ziet er gewoon uit alsof er ergens binnen iemand al honderd jaar ligt te slapen. Daarna volgt Azay-le-Rideau, gebouwd op een eilandje in de Indre. Weer totaal anders dan Saumur of Chinon: kleiner, eleganter en bijna irritant fotogeniek als het water stil staat. Een kilometer of twaalf later zit je alweer bij Villandry. Je begint ondertussen wel een beetje blasé te worden. “Ja hoor, nóg een kasteel.” Tot je de tuinen ziet. Dan hou je vanzelf je mond. Na Villandry bereikt de route zijn oostelijkste punt en begint de terugweg. Maar de kastelenvoorraad is nog lang niet op. Via de Loire kom je bij Langeais, waar een forse middeleeuwse burcht midden in het stadje staat. Daarna rijdt de route westwaarts door het wijngebied rond Bourgueil. En dat stuk vind ik juist lekker omdat je even niet iedere tien minuten hoeft af te stappen. Wijngaarden, kleine dorpen, landbouwwegen en de Loire die steeds ergens in de buurt blijft. Gewoon rijden. Na bijna 300 kilometer worden dat trouwens steeds fijnere woorden. Gewoon rijden. Via Beaufort-en-Anjou gaat het uiteindelijk terug naar Angers. Technisch is deze rit nergens echt moeilijk. Geen hoge passen, geen listige bergwegen en nauwelijks stukken waar je met samengeknepen billen doorheen hoeft. Maar 295 kilometer over voornamelijk kleinere wegen, met dorpjes, kruisingen en vooral héél veel verleidingen om “heel even” af te stappen, maken er toch een behoorlijk volle dag van. Daarom Gemiddeld. En misschien is dat meteen het grootste gevaar van deze route. Niet de weg. Niet het verkeer. Maar dat je bij het zesde kasteel denkt: Ach, vijf minuutjes kijken kan nog wel. En om half zeven ergens bij Bourgueil ontdekt dat je nog zestig kilometer moet. 😄 Want deze rit draait uiteindelijk niet om één kasteel. Je rijdt langs Brissac, Saumur, Brézé, Montsoreau, Chinon, Ussé, Azay-le-Rideau, Villandry en Langeais, met daartussen de Loire, de Vienne, wijngaarden en dat typische rustige Franse binnenland. Een vergelijkbare Loire-route wordt niet voor niets omschreven als kastelen “als kralen aan een ketting”. Alleen heb je vandaag gelukkig geen touringcar nodig. Je hebt een motor. Dat scheelt. Afstand: ca. 295 km Moeilijkheid: Gemiddeld Route type: Touring

Touring
Medium
Centre-Val de Loire
295 km
Cerdagne & Andorra – drie landen en een overdosis Pyreneeën
+2 photos

Cerdagne & Andorra – drie landen en een overdosis Pyreneeën

Cerdagne & Andorra – drie landen en een overdosis Pyreneeën Ax-les-Thermes uit en meteen omhoog. Geen rustig kwartiertje om de banden warm te rijden. De Pyreneeën hebben daar vandaag blijkbaar geen zin in. Binnen een kleine 25 kilometer sta je al op de Col de Pailhères, ruim 2.000 meter hoog en een van die passen waar je na een paar bochten vanzelf ophoudt met naar de kilometerstand te kijken. De klim is smal, serieus en zit vol haarspelden. Boven wacht vooral heel veel berg en heel weinig gedoe. Precies goed. En dit is pas het begin. Na de Pailhères zakt de route richting het hoogland van de Cerdagne. Het landschap wordt opener, de toppen blijven om je heen staan en de wegen krijgen iets meer ruimte. Via de omgeving van Mont-Louis kom je bij Font-Romeu, op zo’n 80 kilometer van de start. Hier zit je midden in de Catalaanse Pyreneeën. Hoogvlakte, bergdorpen, bossen en van die lange uitzichten waarbij je automatisch iets langzamer gaat rijden dan strikt noodzakelijk. Font-Romeu en de Cerdagne staan juist bekend om dat open hooggebergte en hun enorme panorama’s. Daarna gebeurt er iets grappigs. Je rijdt Frankrijk uit. Spanje in. En dan vervolgens weer even Frankrijk in. Dat komt door Llívia, die kleine Spaanse enclave die volledig door Frankrijk wordt omringd. Je hoeft er eigenlijk niets voor te doen, behalve rijden, maar ineens heb je geografisch gezien wel weer iets raars van je lijstje afgevinkt. Via Puigcerdà gaat het daarna echt Spanje in. En daar verandert het rijden opnieuw. De dalen worden breder, de wegen iets vlotter en je kunt de motor even wat meer laten lopen. Na al dat korte stuurwerk voelt dat bijna als vakantie. Bij La Seu d’Urgell, rond kilometer 155, begint het volgende hoofdstuk. Andorra. De weg klimt vanaf Spanje geleidelijk omhoog naar Andorra la Vella. En daar krijg je even een compleet andere wereld voor je kiezen: winkels, verkeer, hotels, tankstations en gebouwen tegen de berghellingen. Na uren bergwegen voelt Andorra la Vella bijna alsof iemand midden in de Pyreneeën ineens een complete stad heeft neergezet omdat er nog een stukje grond over was. Even tanken misschien. Koffie. En dan weer snel de bergen in. Want na Andorra la Vella loopt de route via Encamp en Canillo steeds verder omhoog. En omhoog. En nog een beetje omhoog. Tot de Port d’Envalira. Dat is met ruim 2.400 meter een van de hoogste verharde bergpassen van de Pyreneeën. Vlak bij de top ligt bovendien het Circuit Andorra, dat zichzelf het hoogst gelegen permanente circuit ter wereld noemt. Hier voelt het landschap ineens echt alpien. Boomgrens weg. Rotsen. Open hellingen. En als je pech hebt: wind die vindt dat jouw motor best een halve meter opzij kan. Niet schrikken. Gewoon beleefd tegensturen. Daarna volgt Pas de la Casa, op ongeveer 204 kilometer. En dan weet je eigenlijk al dat het grote werk erop zit. De laatste dertig kilometer dalen terug richting Ax-les-Thermes. Na een dag vol passen, grenzen, hoogvlaktes en bochten voelt dat laatste stuk bijna ontspannen. Bijna. Want dit blijven de Pyreneeën. 235 kilometer klinkt op papier niet extreem. Maar dit zijn geen 235 Nederlandse kilometers. Hier stuur je de hele dag. Je klimt. Je daalt. Je remt voor haarspelden. Je zit op hoogte. Je rijdt door drie landen en krijgt voortdurend een ander landschap voor je neus. Daarom krijgt deze route van mij Uitdagend. Niet omdat hij gemeen is. Wel omdat hij je de hele dag bij de les houdt. En als route nummer 300? Dan hadden we het eigenlijk slechter kunnen treffen. Veel slechter. 😄 Afstand: ca. 235 km Moeilijkheid: Uitdagend Route type: Bergen

Countryside
Medium
Catalonië
235 km
Cap Corse – kliffen, vissersdorpen en 284 kilometer bochtenwerk
+2 photos

Cap Corse – kliffen, vissersdorpen en 284 kilometer bochtenwerk

Bastia uit en meteen de goede kant op. De zee rechts, Cap Corse voor je en nog geen idee hoeveel bochten er vandaag op je liggen te wachten. De eerste kilometers richting Erbalunga zijn bijna vriendelijk. De weg volgt de oostkust en je rijdt langs kleine haventjes, oude huizen en baaien waar het water zo blauw is dat je even denkt dat iemand de verzadiging te hoog heeft gezet. Erbalunga zelf is zo’n dorp waar je makkelijk blijft hangen voor koffie. Oude haven, Genuese toren, bootjes voor de kade. Klaar. Meer heb je soms niet nodig. Maar door. Want Cap Corse begint pas net. Na Rogliano schuift de route richting de noordpunt van het schiereiland en daarna westwaarts naar Centuri. De weg wordt smaller, bochtiger en serieuzer. Geen snel rijden voor de statistieken; hier wil je vooral ritme houden en een beetje vooruit denken. Links rots. Rechts soms heel veel niets. En daar ergens beneden de Middellandse Zee. Centuri ligt als een klein havendorp tegen de kust geplakt en staat bekend om de kreeftenvisserij. Dat maakt het een prima plek voor een stop, al zou ik persoonlijk misschien niet meteen een halve kreeft naar binnen werken als ik daarna nog 200 kilometer Corsicaanse bochten voor de boeg had. 😄 Vanaf Centuri begint voor mij het mooiste stuk. De westkust van Cap Corse. Hier wordt het landschap ruiger. De weg hangt regelmatig hoog tegen de helling aan en draait zich door dorpjes als Pino naar het zuiden. Soms rij je bijna op zeeniveau, even later kijk je van bovenaf op kleine baaien en rotspunten neer. De officiële Corsicaanse toeristische dienst omschrijft dit stuk niet voor niets als een afwisseling van klimmen, dalen en technische passages. Dit is niet zo’n weg waar je denkt: “Wanneer komen de leuke bochten?” Ze zijn er al. Allemaal. En ze lijken voorlopig ook niet van plan weg te gaan. Dan verschijnt Nonza. En Nonza is eigenlijk belachelijk fotogeniek. Het dorp ligt boven een enorme donkere kiezelstrand en wordt gedomineerd door een oude toren. Even motor neerzetten, stukje lopen en naar beneden kijken. Waarschijnlijk daarna denken: mooi hoor. En vervolgens alsnog twintig foto’s maken. Na Nonza gaat het richting Saint-Florent. De kust wordt wat toegankelijker en de weg iets minder wild. Via de omgeving van Patrimonio kom je in een streek met wijngaarden voordat je Saint-Florent binnenrijdt. Haven, terrassen, jachten, Corsicaanse zon. Heel vervelend allemaal. 😄 Maar deze GPX houdt daar dus niet op. En dat maakt hem interessanter dan het klassieke rondje Cap Corse. Na Saint-Florent trekt de route het binnenland in richting Oletta en Murato. De zee verdwijnt uit beeld en Corsica verandert weer van gezicht. Bergen, kleine dorpen en wegen die zich door het binnenland heen werken. Bij Santo-Pietro-di-Tenda zit je inmiddels duidelijk in een ander soort landschap dan aan het begin van de dag. En vervolgens komt er nóg een hoofdstuk. L’Île-Rousse. Even terug naar zee. Daarna gaat het via Belgodère weer het binnenland in. Hier krijg je van die Corsicaanse wegen waar dorpjes tegen berghellingen lijken geplakt en je soms in tien kilometer tijd meer stuurt dan thuis in een hele zondagmiddag. Via Ponte-Leccia begint uiteindelijk de terugweg naar Bastia. En tegen die tijd ga je die 284 kilometer ook echt voelen. Niet omdat het zo extreem ver is. Maar omdat Corsicaanse kilometers andere kilometers zijn. Constant sturen. Remmen. Kijken. Klimmen. Afdalen. Nog een dorp. Nog een bocht. Nog een geit die blijkbaar vindt dat hij voorrang heeft. Daarom krijgt deze route van mij Uitdagend. Niet omdat er één krankzinnige bergpas in zit, maar omdat de combinatie van afstand, smalle wegen, hoogteverschillen en eindeloos bochtenwerk gewoon aandacht vraagt. En dat is precies waarom hij zo goed is. Je begint aan zee in Bastia. Je rijdt helemaal om Cap Corse. Je duikt het binnenland in. Je pakt nóg een stuk westkust mee. En bijna 300 kilometer later kom je weer terug met waarschijnlijk hetzelfde probleem als iedere motorrijder op Corsica: je wilt morgen gewoon weer.

Coast
Challenging
Corsica
284 km
Camargue – witte paarden, roze zout en eindeloze horizon
+2 photos

Camargue – witte paarden, roze zout en eindeloze horizon

Arles uit, de Rhône-delta in En eigenlijk weet je binnen een paar kilometer al dat dit geen gewone Franse rondrit wordt. Geen bergen. Nauwelijks hoogteverschil. Geen haarspelden waar je drie keer moet steken. Hier is alles juist groot, vlak en open. De eerste 20 kilometer richting Saint-Gilles zijn vooral bedoeld om de stad achter je te laten. Daarna schuift de route steeds verder de Camargue in. Via Vauvert en Aimargues kom je in een landschap waar water, rietvelden en kaarsrechte wegen elkaar afwisselen. Je hoeft hier niet hard te rijden. Sterker nog, dat zou zonde zijn. Want dit is zo’n gebied waar je ineens een paar witte Camargue-paarden naast de weg ziet staan, ergens verderop zwarte stieren in een weiland ontdekt en vijf minuten later roze flamingo’s boven een ondiep meer ziet trekken. De Camargue staat precies om dat landschap en die dieren bekend. Na ongeveer 66 kilometer duiken ineens de muren van Aigues-Mortes op. En die komen nogal binnen. Midden in dat platte landschap staat daar opeens een compleet ommuurde middeleeuwse stad. De vestingmuren lopen ruim 1,6 kilometer rond het oude centrum en kijken uit over de zoutpannen en de Camargue. Motor even neerzetten? Ja. Hier wel. Niet alleen voor die muren, maar ook omdat je daarna weer een totaal ander stuk krijgt. Nog geen tien kilometer verder zit je bij Le Grau-du-Roi en ineens ruik je de Middellandse Zee. Vakantiehuizen. Havens. Strand. Meer verkeer ook. Dat hoort erbij. Dit is niet zo’n route die doet alsof elk stuk verlaten en romantisch is. Rond de kustplaatsen kan het gewoon wat drukker zijn. Daarna wordt het weer beter. Veel beter. De weg draait terug de echte Camargue in richting Saintes-Maries-de-la-Mer. Lange rechte stukken. Water aan weerszijden. Lage begroeiing. Wind. Heel veel lucht. Op zo’n weg heb je nauwelijks bochten nodig om het leuk te hebben. Je zit gewoon lekker op die motor en kijkt om je heen. Na ongeveer 109 kilometer kom je Saintes-Maries binnen. Dit is zo’n plek die perfect bij de streek past: laag, wit, een kerk die overal bovenuit steekt en de zee er direct achter. De plaats is een belangrijk centrum van de Camargue en ligt vlak bij onder andere het ornithologische gebied van Pont de Gau. Koffie. Terrasje. Helm af. Waarschijnlijk zand op je motor waar je geen idee van hebt hoe het daar gekomen is. Daarna volgt misschien wel het meest typische stuk van de route. Richting Salin-de-Giraud wordt het landschap steeds leger. Zoutvlaktes, water, riet en wegen die kilometers vooruit lijken te lopen. Geen dorp. Geen rotonde. Soms nauwelijks een boom. En dan ineens dat felle roze van de zoutbassins. Dat is Camargue. Na ongeveer 172 kilometer zit je bij Salin-de-Giraud. Dit is het industriëlere deel van het zoutgebied, maar juist daardoor ook apart. Het landschap is hier bijna buitenaards: enorme vlaktes, witte zoutbergen en water dat afhankelijk van het licht roze of rood kleurt. Hier zou ik zelf trouwens niet eens per se stoppen bij een café. Gewoon ergens waar het kan de motor neerzetten. Kijken. Foto maken. En weer door. Vanaf daar gaat het noordwaarts terug richting Arles. Het laatste deel voelt bijna als uitrijden na een compleet andere wereld. En dat is ook precies waarom ik deze route leuk vind. Technisch stelt hij weinig voor. Daarom krijgt hij Makkelijk. Maar saai? Absoluut niet. Je krijgt in iets meer dan 200 kilometer Romeins Arles, moerasland, middeleeuws Aigues-Mortes, Middellandse Zee, witte paarden, flamingo’s, zoutvlaktes en lege Camargue-wegen. En het gekke is: je rijdt bijna nergens echt omhoog. Je draait niet eens overdreven veel bochten. Maar na afloop heb je toch het gevoel dat je een hele dag iets bijzonders hebt gereden. Sommige routes zijn goed vanwege de weg. Deze is goed vanwege alles wat ernaast ligt.

Coast
Easy
Provence-Alpes-Côte d'Azur
213 km
Brière & Guérande – moeras, zout en Atlantische lucht
+2 photos

Brière & Guérande – moeras, zout en Atlantische lucht

Brière & Guérande – moeras, zout en Atlantische lucht Afstand: ca. 190 km Moeilijkheid: Makkelijk Route type: Kust Redon uit, motor warm, en dan zuidwaarts. Geen gedoe, geen ingewikkeld begin. De eerste kilometers richting Saint-Gildas-des-Bois en Pontchâteau zijn vooral lekker inkomen: rustige wegen, dorpen, velden en genoeg ruimte om even in het ritme te komen. Na een kilometer of veertig verandert de rit. Je rijdt richting La Chapelle-des-Marais en daarna de Brière in. En dat landschap voelt meteen anders. Minder open landbouw, meer water, riet, kleine wegen en dorpen die bijna op eilandjes in het moeras liggen. Rond Saint-Joachim rijd je letterlijk tussen de natte graslanden, kanalen en oude Brièronse dorpen door. Het Parc naturel régional de Brière is een van de grootste moerasgebieden van Frankrijk en dat merk je hier aan alles. Dit is geen stuk waar je komt om bochten aan elkaar te rijgen. Hier kijk je. Riet links. Water rechts. Een paar huizen met rieten daken. En een weg die er gewoon tussendoor is gelegd omdat iemand ooit besloot dat dat blijkbaar kon. Via Saint-Lyphard en Saint-André-des-Eaux schuift de route langzaam richting de kust. Dat overgangsstuk is eigenlijk heel mooi: je komt uit het stille moerasland en merkt steeds meer dat de Atlantische kust dichterbij komt. Bij Pornichet is het zover. Zee. Vanaf daar wordt de rit ineens een stuk levendiger. Via La Baule en Le Pouliguen volg je de kust westwaarts. Geen eindeloze verlaten bergweg hier, maar boulevards, stranden, zeelucht en af en toe wat meer verkeer. Dat hoort er ook bij. Je rijdt hier tenslotte door een van de bekendste kuststroken van deze regio. Dan komt Batz-sur-Mer en daarna Le Croisic. En daar zou ik zelf het gas echt even dichtdraaien. Na ongeveer 110 kilometer zit je op het uiterste punt van de route. Atlantische Oceaan aan je neus, rotsige kust, huizen achter je en dat typische gevoel van: verder die kant op wordt zwemmen. Motor neer. Koffie zoeken. Even niks. Daarna buigt de route terug richting Guérande. En dat is misschien wel het meest herkenbare stuk van de hele rit. Rond Guérande liggen de beroemde zoutpannen: tientallen ondiepe bassins, smalle dijkjes en water dat afhankelijk van licht en weer telkens van kleur lijkt te veranderen. Je rijdt hier eigenlijk door een compleet ander landschap dan twee uur eerder in de Brière. Eerst zoetwatermoeras. Nu zout. Dat maakt deze relatief korte rit verrassend afwisselend. Vanaf Guérande gaat het weer noordwaarts via Herbignac naar La Roche-Bernard. Daar verandert de sfeer opnieuw. Weg van strand en zoutpannen, terug het groen in. La Roche-Bernard ligt mooi boven de Vilaine en voelt als een prima laatste serieuze stop voordat je weer richting Redon gaat. Via Allaire draai je uiteindelijk terug naar het beginpunt. Geen moeilijke rit. Geen technische uitdaging. Geen dag waarop je na afloop met trillende armen van de motor stapt. Maar wel eentje waarop je in nog geen 200 kilometer moeras, kust, zoutpannen, kleine dorpen en Atlantische vergezichten aan elkaar rijgt. En juist daarom is hij goed. Je vertrekt uit Redon. Je komt terug in Redon. Maar ergens onderweg heb je het gevoel gehad dat je drie compleet verschillende streken hebt doorkruist

Coast
Easy
Pays de la Loire
190 km
Brenne & Vallée de la Creuse – 357 km dwars door het stille Frankrijk
+2 photos

Brenne & Vallée de la Creuse – 357 km dwars door het stille Frankrijk

De eerste kilometers trekken noordwaarts richting Levroux en Valençay. Verwacht hier geen Alpenwerk of eindeloze haarspelden. Dit is een ander soort motorrijden: lange stukken Franse D-weg, landbouwgrond, kleine dorpen waar op het middaguur weinig meer beweegt dan een gordijn achter een open raam, en bochten die precies genoeg komen om je wakker te houden. Bij Valençay zit je op ongeveer 54 kilometer. Even later draait de route naar het zuidwesten en verandert het landschap langzaam. Grote akkers maken steeds vaker plaats voor bossen, water en smallere wegen. Je rijdt richting Mézières-en-Brenne, midden in het Parc naturel régional de la Brenne. Dat gebied wordt niet voor niets het land van de duizend meren genoemd: water, riet, bosjes en weilanden liggen hier door elkaar alsof iemand bij het tekenen van de kaart halverwege besloot dat rechte lijnen overschat waren. En dit is precies zo'n stuk waar je waarschijnlijk op de motor denkt: waarom heb ik hier eigenlijk nog nooit van gehoord? Na Mézières wordt het stiller. Geen spectaculaire toeristische trekpleister om de vijf kilometer, maar juist van die wegen waar je een kwartier rijdt zonder iemand tegen te komen. Af en toe een boerderij. Een kerkje. Een étang achter de bomen. Remmen voor een dorp, twee huizen voorbij, gas er weer op. Rond Le Blanc, na ongeveer 178 kilometer, heeft de route zijn westelijkste gedeelte zo'n beetje gehad. Vanaf daar draait hij terug richting het zuidoosten. En daar begint de rit wat meer tanden te krijgen. De omgeving van de Creuse is duidelijk anders dan het vlakke begin. Meer hoogteverschil, meer bos en wegen die zich nadrukkelijker door het landschap slingeren. Via de omgeving van Argenton-sur-Creuse gaat het richting een van de mooiste punten van de hele route: Crozant. Crozant wordt na ongeveer 258 kilometer vrijwel exact geraakt. Hier ligt de oude vesting hoog boven de Creuse en krijg je ineens rotsen, diepe valleien en een landschap dat veel ruiger oogt dan honderd kilometer eerder. Dit is zo'n plek waar ik zelf de motor even aan de kant zou zetten. Niet omdat je moet. Gewoon omdat het zonde is om er met 70 voorbij te knallen. Daarna gaat het richting La Châtre. De wegen blijven landelijk en worden weer wat vriendelijker, maar na ruim 300 kilometer begint de afstand zelf mee te spelen. Daarom zet ik deze rit ondanks het ontbreken van echte bergpassen op Gemiddeld. Technisch is hij niet bijzonder zwaar; 357 kilometer aan voornamelijk secundaire Franse wegen maakt er gewoon een serieuze dag van. Vanaf La Châtre is het laatste deel terug naar Châteauroux. En waarschijnlijk precies op dat moment krijg je dat bekende gevoel: nog even doortrekken, maar eigenlijk wil je ook niet dat de rit al klaar is. Want dit is geen route van grote namen. Geen Stelvio. Geen Grossglockner. Geen Côte d’Azur. Het is gewoon Frankrijk zoals motorrijders het stiekem het liefst hebben: weinig verkeer, kleine wegen, genoeg bochten en onderweg steeds weer iets anders. 357 kilometer later sta je weer in Châteauroux. Zelfde plek. Compleet ander beeld van deze streek.

Countryside
Medium
Centre-Val de Loire
357 km
)